Onderzoek naar vrouwen bij de politie

In publicaties over vrouwen bij de politie wordt vrijwel altijd de mannelijke cultuur van deze organisatie als belemmerende factor voor integratie genoemd. De cultuur bij de politie wordt gekenmerkt door mannen. Lord spreekt over “male chauvinism” waarmee ze bedoelt dat de politie zich vaak koestert in een beeld van hun beroep als een stoer, hard en dus bij uitstek mannelijk beroep.

Sari van der Poel noemt de beeldvorming rond het politieberoep “de mannelijke mythe”. In haar werk beschrijft zij allerlei weerstanden tegen de komst van vrouwen die te maken hebben met deze mannencultuur. Dat de integratie moeizaam verloopt blijkt uit de houding van mannelijke collega’s ten opzichte van vrouwen. Deze is gecompliceerd. Enerzijds vinden mannelijke collega’s dat vrouwen in de politie thuishoren, bijvoorbeeld omdat ze de politie een “menselijker” imago geven. Anderzijds blijken er telkens opnieuw weerstanden.

Door opmerkingen, grappen maar ook door ongewenst seksuele toespelingen worden vrouwen steeds met hun “anders” zijn geconfronteerd. Sari Van der Poel constateert dat vrouwen vaak dubbele opdrachten krijgen. Zo zeggen mannelijke collega’s dat politievrouwen onbetrouwbaar zijn in een gevecht, maar klagen ze als vrouwen agressie tonen. Ze zeggen dat vrouwen de politie te snel verlaten maar vinden langdurig bij de politie blijven onvrouwelijk. Aan de ene kant moeten vrouwen zich aanpassen aan de mannelijke collega’s en hun taken op dezelfde manier uitvoeren en anderzijds moeten ze zich blijven gedragen als vrouw, bijvoorbeeld door zich goed te verzorgen. De grote vraag voor veel vrouwen is dan ook hoe word je geaccepteerd als collega en blijf je toch jezelf? Een politievrouw zegt hierover : “Het grootste compliment dat je als vrouw kunt krijgen is dat je een leuke meid bent die werkt als een kerel”. Een andere politievrouw vertelt me : “Als persoon moet je vrouwelijk zijn, maar als politiefunctionaris niet”. In deze omschrijving wordt de invloed van het traditionele beeld van vrouwen genoemd. In onze maatschappij bestaan vastomlijnde ideeën over hoe mannen en vrouwen zijn. Hoewel de rol van vrouwen de laatste decennia nogal is veranderd, voornamelijk door werk buitenshuis, blijkt het beeld van vrouwen (seksestereotiep) nog erg traditioneel. Zowel mannen als vrouwen vinden bepaalde eigenschappen en gedragingen nog steeds typisch mannelijk of vrouwelijk. Vrouwen worden gezien als fysiek zwak, zij stralen niet veel autoriteit uit en ze zijn labiel en emotioneel. Wanneer dit beeld geplaatst wordt naast het traditionele beeld van de politie wordt duidelijk dat vrouwen vanuit dit beeld niet geschikt worden geacht voor het beroep van politiefunctionaris. Er zijn echter een aantal redenen om dit idee over ongeschiktheid te verwerpen. De eerste is dat uit talloze onderzoeken blijkt dat vrouwen even effectief zijn als mannen en dat de sekse geen geschiktheidcriterium is. Eén van de meest gezaghebbende onderzoeken op dit gebied is deze van Bloch en Anderson. Zij onderzochten 86 vrouwelijke en 86 mannelijke agenten die werkten op een districtsbureau. Ze maakten gebruik van surveys, gestandaardiseerde observaties, interviews en attitudeschalen om gegevens te verzamelen omtrent taakopdrachten, wijze van uitvoering, houdingen van politiemannen en burgers ten aanzien van vrouwelijke agenten. De belangrijkste conclusie van dit onderzoek is, dat er weinig verschillen bestaan tussen de wijze waarop vrouwen en mannen hun politietaak uitvoeren. Vrouwen behaalden dezelfde opleidingsresultaten, hanteerden “moeilijke” gevallen op een vergelijkbare wijze en stelden zich net zo assertief op als mannen waar het ging om initiatief nemen in een situatie. Daarentegen verrichtten vrouwen minder aanhoudingen en deelden zij minder bekeuringen uit dan hun mannelijke collega’s. Vergelijkbare onderzoekingen hebben tot soortgelijke conclusies geleid. Wel blijkt dat vrouwen soms een andere aanpak hebben dan mannen. Zo arresteren vrouwen minder vaak en lossen zij ruzies e.d. eerder op met praten dan met geweld. Het blijkt echter niet dat deze aanpak meer of minder effectief is. Een andere reden om het bovengenoemde te verwerpen is dat het idee van de politie als een gevaarlijk beroep sterk overtrokken is. Een team van onderzoekers in New York wilde onderzoeken hoe vrouwen met geweld omgingen maar moeten hun onderzoeksvragen wijzigen daar geweldsituaties zich weinig voordeden. Er wordt geschat dat slechts 10% van de werkzaamheden te maken heeft met mogelijk gevaarlijke situaties als misdaadbestrijding. Andere onderzoeken tonen aan dat slechts 20 tot 30% van de tijd effectief aan criminaliteitsbestrijding wordt besteed :

  • volgens Kelling besteedt de politie minder dan 20% van haar tijd aan zaken die met criminaliteit te maken hebben;
  • een onderzoek aan de VUB waarin de relatie tussen de bevolking en de gemeentepolitie werd nagegaan, kwam tot het besluit dat de taak van de gemeentepolitie uit 30% criminaliteitsbestrijding bestaat.
  • Een onderzoek in Den Haag naar de tijdsbesteding van de politie toont aan dat 26% van het politiewerk aan criminaliteitsbestrijding wordt besteed.

Geen van de bestudeerde onderzoeken kon overtuigend aantonen dat vrouwen het politiewerk beter of slechter doen dan mannen. Sommige vrouwen zijn geschikter voor het politievak dan anderen, wat ook geldt voor mannen. Toch zijn de attitudes van politiemannen over het functioneren van politievrouwen nogal negatief. Er is dus meer aan de hand. Theorie Van Kanter Rosabeth Kanter, een Amerikaanse sociologe, tracht een verklaring te geven voor het in stand blijven van de scheiding tussen “mannen-” en “vrouwen-“beroepen. De oorzaak hiervan is volgens Kanter voornamelijk gelegen in groepsprocessen die zouden ontstaan wanneer een buitenstaander zich aandient. Zij baseert zich op de factoren getalsverhoudingen, macht en loopbaanmogelijkheden. Binnen de getalsverhoudingen onderscheidt zij vier groepen :

  • “Uniform groups”: bestaande uit mensen die op belangrijke aspecten overeenkomen. 100%-0%
  • “Skewed groups”: één categorie mensen overheerst sterk en maakt +/- 85% tot 99% van de groep uit : de “dominants” genoemd tegenover de leden van de minderheid, “de tokens”.
  • De “tilted groups”, waarbij de getalsverhoudingen minder extreem zijn;
  • en de “balanced groups”, waarbij er geen sprake meer is van meerderheid of minderheid.

Vrouwen bij de politiediensten bevinden zich bijna altijd in skewed groups en worden door Kanter “tokens” genoemd. De zeldzaamheid van deze éénlingen in de organisatie is van invloed op de manier waarop zij worden waargenomen. Hierbij gelden drie principes : Zichtbaarheid : Tokens krijgen extra aandacht omdat zij blikvangers zijn. Vrouwen in mannenberoepen moeten zich door dit principe extra inzetten om op grond van capaciteiten gewaardeerd te worden in plaats van uiterlijke kenmerken. Politievrouwen voelen zich door hun geringe aantallen in het voetlicht staan en denken dat hun individuele prestaties de beoordelingen van alle politievrouwen als groep zullen beïnvloeden. Dit gevoel onder voortdurende “controle” te staan heeft uiteraard consequenties voor de manier waarop zij hun werk doen. Kizziah en Morris vonden dat dit gebeurde in het politiekorps van het stadje Newton in de staat Massachussetts. De vrouwen aldaar rapporteerden dat wanneer één vrouw kritiek kreeg, de andere vrouwen daar automatisch ook in betrokken werden. Het omgekeerde vond plaats wanneer één vrouw een uitstekende prestatie leverde. Terwijl de vrouwen als groep beoordeeld werden voor een fout door één van hen gemaakt, werd een uitstekende prestatie puur persoonlijk aangerekend. Het principe van contrast

Hierdoor vallen vooral de verschillen tussen de “dominants” en de tokens op en niet de overeenkomsten. Door de aanwezigheid van enkele tokens wordt de groep dominants zich bewust van hun gemeenschappelijke kenmerken en van hun verschillen met de tokens. Het groepsbewustzijn wordt vergroot en de komst van tokens wordt ervaren als een inbreuk op de tot dan toe stilzwijgende bestaande afspraken over de omgang en verstandhouding met elkaar. Het assimilatieprincipe Kanter doelt met assimilatie op het proces van stereotyperingen of generalisaties over een bepaalde groep mensen. Tokens zijn eerder te stereotyperen dan mensen die met meer van hun soort tot een groep behoren. Het gevolg hiervan voor vrouwen in een tokenpositie is dat ze zich gemakkelijk conformeren aan bestaande stereotypen : zij zijn immers niet met genoeg om het tegendeel te bewijzen. Zo is er:

  • de moederfiguur : bij haar kunnen mannen hun problemen kwijt en kan troost en begrip worden verwacht. Emoties staan hierbij centraal en die hebben in de mannenwereld geen hoge status.
  • de verleidster : zij wordt gewaardeerd om haar vrouwelijkheid en niet om haar prestaties. Mannen vragen haar aandacht op grond van vermeende seksuele avonturen. De kans op jaloezie van mannen onderling en vrouwen is groot.
  • de mascotte: hieronder wordt de jonge, leuke vrouw verstaan, waar je gezellig mee kunt koffiedrinken en je amuseren. Bij een echte zaak kun je haar er beter niet bij hebben. Zij is echt gezellig voor in de groep. Ze past daar helemaal in zolang zij de mannelijke superioriteit erkent en bewondert. Wanneer zij in haar werk iets goed doet, is men verwondert. Haar werk wordt niet als een serieuze bijdrage gezien.
  • de militante : wanneer een vrouw niet in de rol van moeder, verleidster of mascotte kan worden geplaatst, wordt zij ervaren als een militante. Een mondige vrouw, die opkomt voor haar rechten is al gauw een feministe (en dat is geen compliment). Zij krijgt weinig waardering en bevindt zich meestal in een eenzame positie.

Deze principes hebben enkele dilemma’s en tegenstrijdigheden voor vrouwen tot gevolg. In het kort kunnen zij samengevat worden als volgt :

  • tokens worden gezien als representanten van hun soort, maar ook als uitzonderingen. Vooral representanten wanneer ze falen en uitzonderingen wanneer ze slagen.
  • ze worden voortdurend gewezen op de verschillen tussen hen en de meerderheid, maar moeten vervolgens doen alsof deze verschillen niet bestaan of geen effect hebben.
  • tokens zijn de meest zichtbare organisatieleden, maar worden buiten het centrum gehouden waar de belangrijkste gebeurtenissen zich afspelen.
  • tokens zijn individuen binnen de organisatie, toch wordt hun individualiteit geweld aangedaan door stereotyperingen.
  • situaties die ontspannen zouden moeten zijn, zijn voor tokens juist het moeilijkst te hanteren.
  • tokens zijn eenzaam, maar mogen geen steun zoeken bij anderen van hun categorie.
  • de ingewikkelde interacties rond tokens worden tokens aangerekend en worden gebruikt ter legitimering van hun lage aantal, terwijl juist het lage aantal van de tokens de interacties veroorzaakt.

Samenvattend zegt Kanter het volgende : Door de situatie van vrouwen te bekijken vanuit een minderheidsperspectief komen processen aan het licht die haar gedrag begrijpelijker maken. Grote zichtbaarheid leidt tot prestatiedruk. Contrast leidt tot een geïsoleerde positie en assimilatie heeft rolinkapseling van de token(s) tot gevolg. Zodra de getalsverhoudingen veranderen zullen deze processen zich minder hevig manifesteren. De kritische grenzen voor die veranderde getalsverhouding liggen volgens Kanter als volgt :

 Kanter pleit voor het aannemen van meer vrouwen (en andere groepen) voor functies waarin zij ondervertegenwoordigd zijn.
Vrouwen in de minderheid versus mannen in de minderheid Ott vergelijkt in haar proefschrift “Assepoesters en kroonprinsen” de gevolgen voor vrouwen in de minderheid met de gevolgen voor mannen in de minderheid. Ze vergelijkt de positie van vrouwen bij de politiedienst met die van mannen in de verpleging, waarbij de getalsverhouding tussen meerderheid en minderheid vergelijkbaar zijn. Uit haar onderzoek blijken vrouwen nadeel maar mannen juist voordeel te ondervinden van het in de minderheid zijn. Zo krijgen zowel vrouwen als mannen in minderheidsposities extra aandacht maar voor mannen is deze aandacht prettig en worden ze extra gewaardeerd en voor vrouwen is deze aandacht vaak onprettig. Er worden opmerkingen of grapjes gemaakt die ze als onprettig ervaren. Politievrouwen hebben vaak minder kansen om zich te ontplooien dan hun mannelijke collega’s terwijl verplegers juist gestimuleerd worden hogerop te komen. Ott concludeert dat er meer aan de hand is dan de getalsverhouding in een beroepsgroep maar dat er ook sprake is van een seksebepaald voor- of nadeel. Zij ziet als voornaamste verschil tussen werkende vrouwen en mannen het verschil in status. Status omschrijft ze als sociaal bepaalde waarde zoals die aan iemand wordt toegekend. Webb heeft in een onderzoek gevonden dat sekse een statusvariabele is, d.w.z. dat iemands sekse een belangrijke factor is aan de sociaal aan hem toegeschreven waarde. Gezien de maatschappelijke normen en taakverdeling behoeft het geen betoog dat mannen een hogere status wordt toegeschreven dan vrouwen. Uit de redenering van Ott kan dus volgen dat het binnenhalen van meer vrouwen een bedreiging kan zijn voor de status van een beroep. Wellicht geldt dit mechanisme nog meer voor de politiediensten dan voor andere beroepen omdat een deel van de status van politiewerk samenhangt met het stoere en harde imago. Vrouwen kunnen dit beeld aantasten. Het voornaamste punt van verschil tussen Kanter en Ott is de verklaring die zij geven voor de positie van vrouwen in mannenberoepen. Volgens Kanter is het in de minderheid zijn de meest bepalende factor, terwijl Ott status als meest bepalende factor ziet. Kanter staaft haar idee door het mechanisme van categorisering en de nadelige gevolgen hiervan te benadrukken. Ott beaamt dat dit mechanisme werkt, maar toont aan dat het niet alleen negatieve gevolgen heeft. Zij meent dat categorisering pas negatieve gevolgen heeft als de groep waarover beelden zijn een lagere status heeft dan een andere groep. In haar onderzoek blijkt sekse het meest van invloed op de positieve dan wel negatieve gevolgen en Ott ziet hiervoor als verklaring dat het voornaamste sekseverschil het verschil in status is. Categorisering is dan niet neutraal, zoals Kanter veronderstelt, maar in dit geval seksebepaald.